Mede door ruimtegebrek ligt de nadruk op fietsen van voor 1900. Rond 1900 kwamen de modellen op de markt zoals wij ze nu nog kennen. Voor technisch interessante fietsen is er altijd nog ruimte in de collectie aanwezig.
Toen de gebroeders Michaux rond 1864 als eerste trappers op een fiets monteerden (daarvoor waren er enkel loopfietsen) en zij dit lieten zien op de Wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs, sloeg deze fiets in als een bom. Vele wagenmakers uit verschillende landen bestelden een Michaux-fiets als voorbeeld om ze vervolgens na te maken. De Michaux broeders, hoewel het begaafde technici waren, vergaten patent op deze uitvinding aan te vragen. De fiets hiernaast is zo'n nagemaakte Michaux en is van Franse makelij.
Dit is een Nederlandse, houten hoge bi van rond 1869. Deze fiets is waarschijnlijk door een wagenmaker of smid gebouwd. In die tijd was zo'n fiets meestal voor een welgesteld persoon, anders was het niet te veroorloven. Dat het Nederlands is, is te zien aan het houtsnijwerk wat ook op Nederlandse paardenkarren voorkwam.
Hierboven ziet u een hoge bi van het merk Singer uit Coventry. Het model heet Challenger en is van 1886. Ook is het balhoofd van de hoge bi met de merknaam er op afgebeeld.
Hierboven ziet u een driewielfiets van Peugeot van 1889. Deze driewielers waren in de tijd van de hoge bi's zeer gewild. Niet iedereen durfde namelijk op zo'n hoge fiets plaats te nemen. Daarom koos men vaak voor een driewielfiets.
Dit is een Franse sportfiets van ongeveer 1893. Hij is waarschijnlijk van het merk Hirondel en is qua vorm typerend voor deze periode, want in die tijd kwam er een enorme vooruitgang op fietsgebied. Er werden toen massaal luchtbanden gemonteerd en de hoge bi verloor zijn populariteit. Fietsfabrieken schoten toen uit de grond en de fiets werd voor meer mensen bereikbaar.
Afgebeeld ziet u een Acatene Metropole (Acatene betekent kettingloos, ofwel een cardanfiets). In 1889 maakte de Belgische Firma FN als eerste een cardanfiets. De fiets op de foto werd geproduceerd bij de firma Metropole aan 17 rue St. Maur te Parijs. Deze rijwielen zijn gemaakt tussen 1894 en 1898. In een rondschrijven aan Nederlandse fietsfabrikanten bood de Nederlandse importeur M.W.Aertnijs te Nijmegen in 1899 losse tandwielsets aan voor een prijs van 50 Gulden per set. Waarschijnlijk was dit het overschot na het staken van de productie in 1898.
Dit is een Lydia damesfiets met houten velgen en houten spatborden. Lydia was een Belgisch (fiets)merk. Dit exemplaar is van rond 1919 en is typerend voor de Belgische fietsen uit die tijd. De dikke ballonbanden moesten enige comfort bieden voor de vele kasseien.
Gnome et Rhone was van oorsprong een vliegtuigmotoren fabriek, na WO 1 ging men zich toeleggen op het produceren van motorfietsen. Dit waren kwalitatief zeer goede motorfietsen. Ook maakte men in licentie van ABC (Engeland) tweecilinder boxermotoren en eencilinder scooters. Beide ontworpen door de welbekende Engelse vliegtuigontwerper Granville Bradshaw. Deze boxer motorfiets stond model voor de BMW motorfietsen. Fietsen werden er op kleine schaal ook gefabriceerd. Bovenstaande aluminiumfiets werd geproduceerd van 1932 tot 1952. Het is een bijzondere fiets; Lugs, voorvork en achterframe zijn van staal en verder is alles van aluminium gemaakt. Dit moet een zeer dure fiets geweest zijn, de laatste eigenaar woonde in Parijs, getuige het naamplaatje aan de fiets. Deze fiets is van omstreeks 1950.
Hier ziet u een Union Strano uit 1963. In die tijd was Union in Den Hulst gevestigd, wat later Nieuwleusen is gaan heten. In 1963 maakte Union reclame met de Strano compact-fiets. Union claimde deze designfiets als haar ontwerp, maar in de veertiger jaren was er al een Italiaan geweest die deze constructie toegepast had. Deze fiets sloeg niet aan, waarschijnlijk zijn er niet meer dan 2000 stuks gemaakt en verder dan de dealers kwamen ze niet. De Strano's die over zijn, zijn dan vaak nog in een mooie staat.









